De Bijbel, Psalmen 2

← naar Bijbel index
1
Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2
De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3
Laten wij Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen!
4
Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten.
5
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6
Ik heb Mijn Koning toch gezalfd over Sion, Mijn heilige berg.
7
Ik zal het besluit bekendmaken: De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt.
8
Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven, de einden der aarde als Uw bezit.
9
U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
10
Nu dan, koningen, handel verstandig. Laat u onderwijzen, rechters van de aarde.
11
Dien de HEERE met vreze, verheug u met huiver.
12
Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt. Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
← naar Bijbel index