De Bijbel, Psalmen 129

← naar Bijbel index
1
Een pelgrimslied. Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd - zeg dat toch, Israël.
2
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd; toch hebben zij mij niet overwonnen.
3
Ploegers hebben mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt.
4
De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.
5
Laat beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten.
6
Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort voordat men het uittrekt,
7
waarmee de maaier zijn hand niet vult, of de schovenbinder zijn arm;
8
en de voorbijgangers zeggen niet: De zegen van de HEERE zij met u, wij zegenen u in de Naam van de HEERE.
← naar Bijbel index