De Bijbel, Psalmen 101

← naar Bijbel index
1
Een psalm van David. Ik zal zingen van goedertierenheid en recht, voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.
2
Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg. Wanneer zult U tot mij komen? Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.
3
Ik zal mij geen verdorven praktijken voor ogen stellen. Ik haat wat de afvalligen doen, hun daden zullen zich niet aan mij hechten.
4
Het slinkse hart zal ver van mij weggaan, de kwaaddoener zal ik niet kennen.
5
Wie zijn naaste in het geheim lastert, hem zal ik ombrengen. Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart, hem zal ik niet verdragen.
6
Mijn ogen zijn gericht op de trouwe mensen in het land, opdat zij bij mij zullen zitten. Wie op de volmaakte weg gaat, die zal mij dienen.
7
Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet verblijven. Wie leugens spreekt, zal voor mijn ogen geen stand houden.
8
Elke morgen zal ik alle goddelozen in het land ombrengen, door allen die onrecht bedrijven, uit de stad van de HEERE uit te roeien.
← naar Bijbel index