De Bijbel, Psalmen 138

← naar Bijbel index
1
Een psalm van David. Ik zal U loven met heel mijn hart, in de tegenwoordigheid van de goden zal ik voor U psalmen zingen.
2
Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilig paleis en Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw trouw, want om heel Uw Naam hebt U Uw belofte groot gemaakt.
3
Op de dag dat ik riep, hebt U mij verhoord; U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
4
Alle koningen van de aarde zullen U loven, HEERE, wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben.
5
Zij zullen zingen van de wegen van de HEERE, want de heerlijkheid van de HEERE is groot.
6
Want de HEERE is verheven; toch ziet Hij om naar de nederige, maar de hoogmoedige kent Hij van verre.
7
Als ik middenin de benauwdheid verkeer, maakt U mij levend; U strekt Uw hand uit tegen de toorn van mijn vijanden, Uw rechterhand verlost mij.
8
De HEERE zal Zijn werk voor mij voltooien; Uw goedertierenheid, HEERE, is voor eeuwig; laat de werken van Uw handen niet los.
← naar Bijbel index