De Bijbel, Psalmen 12

← naar Bijbel index
1
Een psalm van David, voor de koorleider, op ?De achtste?.
2
Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet meer, onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw.
3
Valse dingen spreekt men tot elkaar, met vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4
Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden en de tong vol grootspraak.
5
Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben! Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
6
Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7
De woorden van de HEERE zijn reine woorden, als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
8
Ú, HEERE, zult hen bewaren, U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9
Overal draven goddelozen rond, wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.
← naar Bijbel index